Ik was je bijna kwijt. Terwijl je een sigaret aan je mond zette en ik een pen aan mijn papier, beiden speurend naar een moment van rust. Terwijl mijn hoofd zich volledig vulde met ellendige walging, woede en verdriet. Terwijl jouw mond zich vulde met vergeelde rook, die je longen doordrong en het laatste beetje hoop met zich meenam toen je uitademde. Terwijl we naar woorden zochten, die niet eens bestonden en terwijl de woorden die we wel konden vinden niet voldeden aan dit gevoel, aan deze gedachten, dit vooruitzicht. Woorden die we niet durfden te zeggen, niet konden uitspuwen omdat onze kelen opzwollen en onze ogen volliepen zodra we maar een poging deden. Terwijl we elkaar niet konden zien, niet konden voelen, begrijpen of troosten, terwijl we uit elkaar groeiden was ik je bijna kwijt. Misschien zelfs helemaal.
Ik voelde zoveel in mijn ziel, dat mijn lichaam gevoelloos werd. Het huilen werd me teveel en mijn hoofd was gevuld met gedachten, die stuk voor stuk als tranen uit me kwamen. Alsof het ontastbare van mijn binnenkant naar buiten probeerde te komen. Mijn ogen werden wazig, mijn keel deed de laatste poging tot het uitputten van woorden waarvan mijn hersenen wisten dat ze niet zouden komen. Geen woord. Niets. Alleen tranen, met ellende gevulde tranen, bijna zwart van al ons uitgehuild verleden. Geen klank kon voldoen aan dit gevoel, dat me in alle volledigheid opslokte, uitbraakte en weer herkauwde. En dat allemaal om ons. Om jou. Om mij. Omdat we op de rand stonden van iets nieuws: met of zonder elkaar.
Ik had kunnen schreeuwen, ik had je keel dicht kunnen knijpen, weg kunnen sturen, op kunnen geven. In plaats daarvan zette ik alles dat ik wist vast, zonder naar jouw mening te luisteren. Jij wist alles al. Ik wist niets. Ik had het al honderd keer gezegd, al duizend keer gedacht, al een miljoen keer opgeschreven. Jij had geluisterd, geknikt, gebogen hoofd,gesloten ogen. Je had je moed bij elkaar geraapt en weer los gelaten. Je had je kiezen op elkaar gezet en net zo hard geduwd tot je de pijn voelde tot in je longen, om er ook maar iets uit te persen:
'Sorry'
Terwijl je me smeekte, trillende stem, blauwe ogen. Terwijl je hand voorzichtig de mijne pakte,terwijl ik het toeliet. Ik was je bijna kwijt.
Ik heb een hele drukke week gehad. En ook al is het Dinsdag, mijn week is nu pas voorbij. Het voelt niet halverwege, omdat ik vandaag pas even na kan denken.
Ik heb mijn hoofd gestoten, 3 keer in een trein gezeten, kusjes gekregen en gegeven, katten weggeduwd en op schoot genomen, ik heb me thuis gevoeld, ik ben een vreemdeling geweest, veel te veel nagedacht en te weinig geslapen. Ik heb geverfd, gewerkt, koffie gedronken, wijn gedronken, gedanst, ruzie gemaakt, geknuffeld, gelachen en gehuild. Ik was onwijs chagrijnig en vreselijk vrolijk. En dat allemaal in één week. Het is Dinsdag en de tijd gaat snel. Ik denk niet dat het erg is, want zo blijf ik onderweg.
Ik gooide mijn kleren op de grond en legde mezelf ernaast. Wat ik stom vond, moest op de grond. Ik sloeg op hetgene dat me er het meest van weerhield om rust vinden. Maar dat hielp ook niks. Mijn hoofd zat al te vol. Bovendien was het mijn hoofd ook niet. Het was mijn gevoel, mijn hart, of waar je gevoel dan ook zit. Niet in mijn hoofd. Gevoel zit wat dieper, daar kun je niet bij. Dus ik huilde maar, en liet me gaan. Traande mijn kleren onder op de grond. Toen zocht ik naar liefde. Liefde zei: kom van de vloer, kleed je aan en stop met huilen. Ik stond op en kleedde me aan. Ik stopte met huilen. En ik bedankte zijn liefde en noemde hem mijn liefde. Om rust te vinden moet je even zijn en even voelen. Even voelen waar je liefde vind. Liefde ligt niet op de grond. Rust zit niet in kleren. Gevoel zit niet in gedachten.
Gevoel ligt soms op de grond. Maar met liefde kun je opstaan.